A Doctor's Consultation

History | Religion | Intercultural interaction | Representation | Identity

Honderd Procent

Op 19 September, twee dagen voor de ‘Internationale Dag tegen Islamofobie’, woonde ik een online symposium bij van het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie (CTID). Hoewel het in zijn algemeenheid een inspirerende bijeenkomst was, zijn vooral twee thema’s bij mij blijven hangen. De eerste is dat van ‘perceptive discrimination‘: discriminatie op basis van de aanname dat iemand onderdeel vormt van een bepaalde groep. In dit geval: islamofobie jegens personen die worden aangezien voor moslim. Het tweede thema was dat van ‘uitwissing‘ van moslims die niet aan bepaalde stereotypen voldoen. Dit wordt zowel gedaan door niet-moslims (“ja maar jij bent anders” – in zekere zin het tegenovergestelde van ‘perceptive discrimination’) als door moslims zelf. In het laatste geval kan er sprake zijn van een individu dat door de moslimgemeenschap wordt uitgesloten (‘uitgewist’) op basis van een ‘andersheid’, of van een moslim die het islamitische deel van zijn of haar identiteit uitwist om aansluiting te vinden bij andere groeperingen, als een soort overlevingsstrategie.

Beide principes zijn een duidelijke uitdrukking van het idee dat identiteit samenhangt met een serie stereotype kenmerken waaraan moet worden voldaan. Wanneer een of meerdere van deze kenmerken lijken te ontbreken wordt iemand zijn of haar identiteit gedeeltelijk of zelfs helemaal ontzegd. Of andersom: wanneer iemand kenmerken lijkt te vertonen die worden geassocieerd met een bepaalde identiteit wordt deze hem of haar onterecht toegewezen, met alle gevolgen van dien. Dit gebeurt niet alleen met betrekking tot de moslimgemeenschap. Mijn moeder, een Indische vrouw, wordt tijdens onze jaarlijkse vakantie in Tsjechië regelmatig aangehouden door de politie omdat zij wordt aangezien voor een Vietnamese arbeidsmigrant. Zij ervaart dus ‘perceptive discrimination’. Ook ‘uitwissing’ vindt overal plaats. Een van mijn oude schoolvrienden werd vaak gekscherend een ‘Bounty’ genoemd – “zwart van buiten, wit van binnen”. Volgens de groep vertoonde hij bepaalde kenmerken (zoals accent, studiegedrag en hobbies) die uitsluitend toebehoorden aan ‘witheid’, en die hem daarom ook minder ‘Zwart’ zouden maken. Ook binnen gemeenschappen zelf kunnen individuen worden gezien als niet ‘Zwart’, niet ‘Joods’, of niet ‘Nederlands’ genoeg, wat weer kan leiden tot het zogenaamde ‘Racial Impostor Syndrome’. (Zie ook dit rake opiniestuk op NieuwWij.)

Het is een vreemd idee dat je aan een complete lijst stereotype kenmerken moet voldoen om als volwaardig te worden gezien met betrekking tot je identiteit, of dat het hebben van ‘andere’ kenmerken kan afdoen aan deze identiteit. Alsof identiteit in gradaties komt en er slechts beperkte ruimte is. Wil je iets toevoegen? Dan moet er ergens anders wat vanaf. Dit is niet hoe ik zelf ben opgevoed. Als nazaat van een Nederlands-Indische familie is mij altijd verteld dat ik 100% Indo ben. Een Indo is namelijk iemand met gemengd Nederlands en Indisch bloed, onafhankelijk van de daadwerkelijke percentages of de culturele opvoeding. Indo’s zijn er dus in talloze verschillende vormen en maten, maar dit maakt hen niet meer of minder Indo. Het creëert een concept van gedeelde identiteit waarin evengoed ruimte is voor diversiteit. Zonder checklist. Daarnaast is deze identiteit niet exclusief. De ‘100%’ wil niet zeggen dat mijn persoonlijke identiteit volledig wordt opgevuld door mijn Indo-schap, maar enkel dat ik hierin volwaardig ben – onafhankelijk van mijn andere identiteiten.

Nu is het voor de ‘Indo-identiteit’ natuurlijk gemakkelijk – en zelfs noodzakelijk – om een inclusief karakter te hebben, aangezien Indo’s per definitie gemengd, en dus gevarieerd, zijn. Toch werkt dit concept van identiteit voor mij ook door in mijn andere ‘identiteiten’. Ik ben 100% Indo, met een lichte huidskleur en zonder familierecepten die van generatie op generatie zijn doorgegeven. Ik ben ook 100% Nederlands, maar zonder voorliefde voor schaatsen, hockey of AVG’tjes. Ik ben 100% moeder maar geniet van mijn momentjes alleen, en als volwaardig historicus zal ik vaak toch liever RuPaul’s Drag Race kijken dan dat ik naar een museum ga. Het een bestaat ongeacht het ander. Mijn identiteiten overlappen, maar daarbij bedreigen ze elkaar niet. De clash ontstaat pas wanneer iemand anders er vanuit gaat dat mijn identiteiten onverenigbaar zijn en mij dwingt om prioriteiten te stellen. Dit kan niet alleen leiden tot een identiteitscrisis of loyaliteitsconflict aan mijn kant, maar ook aan die van de ander. Vertelt iemand mij dat ik als Indo geen volwaardige Nederlander kan zijn, dan ga ik schoppen tegen diens idee van Nederlanderschap. Daarbij torn ik dus ook aan diens persoonlijke invulling van deze identiteit, met als gevolg dat deze persoon het idee krijgt deze te moeten beschermen tegen een dreiging van ‘buitenaf’.

Andersheid is alleen een probleem als wij deze ervaren als een bedreiging van onze eigen identiteit. Maar wat nou als de notie van andersheid al in onze definitie van identiteit zit ingebouwd? Is dit in wezen niet net zo noodzakelijk wanneer wij het hebben over ‘Nederlands’, ‘Zwart’, of ‘Islamitisch’ als wanneer het gaat over Indo’s? Geen twee personen zijn hetzelfde, en daarom zullen zij nooit exact dezelfde kenmerken vertonen. Identiteit – zelfs de ervaring van een groepsidentiteit – is daarom in de eerste plaats persoonlijk, en kan in mijn ogen alleen verbindend werken als we de ‘checklist’ zo simpel mogelijk houden. Zodat we samen vooral 100% onszelf kunnen zijn.

Lot

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar boven