A Doctor's Consultation

History | Religion | Intercultural interaction | Representation | Identity

Framing in het klaslokaal

Afgelopen week ontstond er op social media (terecht) commotie over een schrijfopdracht in de les Godsdienst op het Visser ’t Hooft Lyceum in Leiden. De (op zijn zachtst gezegd) ongenuanceerde vragen waren als volgt: 

Schrijf een krantenartikel van 500 woorden over de vrijheid van Godsdienst en de islam. De volgende vragen moeten in het krantenartikel besproken worden, maak van iedere vraag een kopje in het artikel:

  1. Wat betekent vrijheid van Godsdienst voor moslims die aanslagen plegen?
  2. Hoe kunnen wij onszelf beschermen tegen fundamentalisme?
  3. Hoe komt het dat er aanslagen worden gepleegd in de naam van de islam?
  4. Hoe komt het dat mensen geloven in een Godsdienst die zoveel geweld voortbrengt?
  5. Waarom zijn er zoveel moslimterroristen?
Tot op zekere hoogte zijn dit natuurlijk vragen waar we het over kunnen en mogen hebben, maar ik vind het onbegrijpelijk dat zij, in deze vorm, in een les Godsdienst terecht zijn gekomen – tenzij het een les over framing, stigmatisering, en beeldvorming betrof. Want in plaats van te leren over en van de islam of in gesprek te gaan met islam, presenteren deze vragen de islamitische religie van buitenaf als een onvrije en gewelddadige godsdienst.    Zou het daadwerkelijk een artikel over de vrijheid van godsdienst en islam betreffen, dan zijn er twee mogelijke invalshoeken: 1. Wat zegt de islam zelf over vrijheid van godsdienst, of; 2. Wat zegt de Nederlandse vrijheid van godsdienst over de islam? Voor een antwoord op de eerste vraag zou moeten worden gekeken naar de islamitische schriften en tradities – in Nederland of elders. Het antwoord op de tweede vraag is simpel: moslims en de islam vallen onder het Nederlandse recht om de eigen religie of levensovertuiging vrij te belijden binnen de grenzen van de wet (Artikel 6 van onze grondwet).  

Afhankelijk van de invalshoek zouden vervolgens de deelvragen moeten worden aangepast. Willen wij weten wat godsdienstvrijheid betekent voor islamitische aanslagplegers, dan zullen wij wederom de bronnen zelf moeten raadplegen. Ik denk echter niet dat deze docent werkelijk de intentie had om met deze aanslagplegers in gesprek te gaan. Een andere mogelijkheid is dan om te kijken hoe deze aanslagen zich verhouden tot het islamitische idee van godsdienstvrijheid (invalshoek 1) – zijn ze hierbinnen legitiem? Kiezen wij voor invalshoek 2, dan kunnen we wederom kort zijn. Vraag: Hoe verhouden aanslagplegers zich tot de Nederlandse vrijheid van godsdienst? Antwoord: Zij belijden hun godsdienst niet binnen de grenzen van de wet, dus vallen hierbuiten. 

Vraag 2, dan: Hoe kunnen wij onszelf beschermen tegen fundamentalisme? Ten eerste, wie zijn ‘wij’? En ten tweede, wat is fundamentalisme? Fundamentalisme op zichzelf – namelijk het strikt en letterlijk vasthouden aan de grondbeginselen van iemands levensovertuigingen – is helemaal niet strafbaar zolang het zich binnen de grenzen van de wet beweegt. Sterker nog, omdat het onder onze vrijheid van godsdienst valt, kunnen we onszelf er goedbeschouwd niet eens tegen beschermen. Is de vraag, in het kader van invalshoek 1, hoe de islam zichzelf kan vrijhouden van fundamentalistisch geweld, dan moet opnieuw van binnenuit worden gekeken naar de islamitische godsdienst en gemeenschap. Is de vraag wat de Nederlandse samenleving kan doen tegen fundamentalistisch geweld, dan moet ook de blik naar binnen worden gekeerd: wat zijn de factoren die in Nederland doorgaans leiden tot fundamentalistisch geweld, en hoe kunnen wij deze aanpakken zonder aan de vrijheid van godsdienst te tornen? 

Deze vragen houden sterk verband met vraag 3: Hoe komt het dat er aanslagen worden gepleegd in de naam van de islam? Op zich een legitieme vraag, ware het niet dat de volgende vraag al een antwoord suggereert: islam is in zijn algemeenheid een gewelddadige religie. In werkelijkheid wordt geweld gepleegd in de naam van vele ideologieën, zowel religieus als seculier. Willen we specifiek kijken naar de oorzaken van geweld in de naam van islam, dan moet worden gekeken naar zowel ideologische aspecten (is de islam in wezen werkelijk gewelddadiger dan andere religies? Spoiler alert: nee, dat is ze niet) als naar sociaal-maatschappelijke elementen (wat zijn bijvoorbeeld de omstandigheden waaronder Nederlandse aanslagplegers radicaliseren). Waardevolle vragen, die echter niet te beantwoorden zijn onder een deelkopje in een krantenartikel van 500 woorden.  

Aan vraag 4 wil ik verder geen aandacht besteden, behalve dat ik ‘geloven in een godsdienst’ erg lelijk geformuleerd vind. Vraag 5 is minstens net zo suggestief. Wat bedoelt de docent met ‘zoveel’? Wat zijn de cijfers? Hebben we het over moslims in Nederland, of moslims wereldwijd? En hoe verhoudt het percentage moslimterroristen zich tot het percentage niet-terroristen? Ook hier kunnen we veilig stellen dat de islam percentueel gezien  geen ‘terroristische religie’ is. Dan rest de vraag: waarom zou een artikel over ‘godsdienstvrijheid en islam’ zich geheel focussen op een verwaarloosbaar percentage moslims? De docent in kwestie maakt zich hiermee schuldig aan hetzelfde soort framing dat wij ook zien gebeuren in de media en politiek. Met alle schadelijke gevolgen van dien.  

Wat mij in onze samenleving erg aan het hart gaat – en waarom ik mij vanaf februari officieel laat opleiden tot docent levensbeschouwing – is niet zozeer het gebrek aan kennis van religie op zichzelf, maar voornamelijk de overmatige framing en eenzijdige beeldvorming. Dit leidt tot een soort moedwillig en hardnekkig onbegrip dat zichzelf in stand houdt en de sociale cohesie en individuele vrijheid in gevaar brengt. Je zou verwachten dat elke docent levensbeschouwing dit erkent. Dat deze de missie onderschrijft om bij te dragen aan een betere kennis en beter begrip van godsdienst in de samenleving, waarbij dergelijke beeldvorming dus moet worden geanalyseerd, ontleed en ontkracht. Ergens heb ik nog een klein vleugje ijdele hoop dat de docent in Leiden dit probeerde te doen middels deze provocerende opdracht, al bewijst de reactie van de school eigenlijk al dat dit niet het geval was. De gebeurtenis en de ophef eromheen hebben voor mij in elk geval bevestigd dat mijn vak heel hard nodig is – juist nu. En wanneer het zover is zal ik desalniettemin dankbaar gebruik maken van deze opdracht in een les over beeldvorming, zodat we toch nog wat van mijn collega kunnen opsteken.   

Lot

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar boven